Hoe de N-VA de PS van Vlaanderen werd - Piet: Je hebt ook mensen nodig die durven tegen te spreken. Op voorwaarde dat je een element deelt: loyauteit.

Door Piet De Bruyn op 6 juli 2016, over deze onderwerpen: N-VA

Maar dat betekent niet dat de N-VA af en toe in de spiegel moet kijken.

Een aantal werkingsprincipes die de partijtop juist en legitiem vindt voor zichzelf, past ze niet toe op haar relatie met Vlaanderen. N-VA’er Piet De Bruyn zei ooit dat Bart De Wever zo sterk is in het geven van leiding, omdat hij zich niet alleen omringt door ‘alleen jaknikkers en mensen die hetzelfde denken’. De Bruyn: ‘Je hebt ook mensen nodig die durven tegen te spreken. Op voorwaarde dat je een element deelt: loyauteit.

Al sinds 2010 is de N-VA de dominante partij van Vlaanderen. Ze trekt de meeste kiezers aan, ze hanteert het meest herkenbare discours, en ze werkt hard om heel Vlaanderen te modelleren volgens de eigen inzichten. Je zou haast vergeten dat er bezuiden de taalgrens nog een partij is met een merkwaardig vergelijkbaar plan.

De eerste keer dat Bart De Wever en Elio Di Rupo elkaar diep in de ogen moesten kijken, na de verkiezingen van 2010, waren er geen twee democratische partijen die zo van elkaar verschilden als de N-VA en de PS. De PS zag al in 1885 het levenslicht als ‘Belgische Werklieden Partij’ in café La Cygne op de Brusselse Grote Markt; ze is de vieille dame van de Belgische politiek. In 2010 was de N-VA amper tien jaar oud, nadat de partij vorm had gekregen tijdens geheime bijeenkomsten in restaurant Oranjehof in Sint-Denijs-Westrem, ver van de nieuwsgierige ogen van de Wetstraat. Kon er een groter contrast bestaan tussen Franstalig oud-links en Vlaams nieuw-rechts?

Toch was de N-VA vanaf de eerste dag van de onderlinge contacten gefascineerd door de PS. Bart De Wever verscheen aan de onderhandelingstafel met een atomaschriftje in de hand, Elio Di Rupo liet een massa (rode) curverboxen aanrukken, vol dossiers en fiches. Het was het resultaat van het voorbereidende werk van het Institut Emile Vandervelde (IEV), de geduchte studiedienst van de PS.

Sindsdien maakt ook de N-VA een prioriteit van de uitbouw van een eigen studiedienst, in het besef dat de inzet van de brains van de partij de leiding een aanzienlijk politiek voordeel geeft op de concurrentie. Dat rendeerde al bij de verkiezingscampagne van 2014. Tijdens een VTM-debat bleek Bart De Wever het CD&V-programma beter te kennen dan Kris Peeters. De N-VA-voorzitter zette de minister-president genadeloos schaakmat. Natuurlijk had De Wever de CD&V-folders niet zelf uitgevlooid, die eer kwam toe aan de briljante studax Sven De Neef, nu de kabinetschef van minister van Financiën Johan Van Overtveldt. Bij de N-VA is na de vorming van de regeringen-Bourgeois en -Michel hetzelfde gebeurd als bij het IEV wanneer de PS in een regering stapt. De studiedienst staat dan veel kaderpersoneel af aan de nieuwe kabinetten. Toen Knack schreef dat de N-VA-studiedienst verzwakt was door een braindrain werd dat op het partijhoofdkwartier aan de Koningsstraat niet geapprecieerd. Het liet weten dat er stevig werd geïnvesteerd in opvolging, ‘en de nieuwe studiedienst is zo mogelijk nog sterker dan de vorige’.

Het was inderdaad opmerkelijk nieuws toen de N-VA begin dit jaar aankondigde dat Edwin De Boeck de nieuwe directeur van de N-VA-studiedienst werd. De Boeck was de hoofdeconoom van KBC. Hij is een man van de klassieke studiedienst: iemand die achter de schermen werkt, in dienst van de politieke figuren van zijn partij of zijn ondernemingen, want zij moeten scoren met de inzichten en gegevens die zijn dienst aandraagt. Dat model is niet lang hip. Moderne directeurs van studiediensten hebben ook een pr-functie en horen op te duiken in krantencolumns en tv-optredens. Dat model maakt ook opgang in de Wetstraat. Zo profileert Jan Cornillie, hoofd van de SP.A-studiedienst, zich nadrukkelijker als een eigen stem in het publieke debat. En toen Anne Poutrain van de PS-studiedienst verhuisde naar het kabinet van Paul Magnette werd geschreven dat de nieuwe directeur, Gilles Doutrelepont, op die positie was gezet omdat hij veel extraverter en communicatiever zou zijn. Dat bleek een foute inschatting: sinds de man halfweg 2015 aan het hoofd kwam van het Institut Emile Vandervelde dook zijn naam nog in geen enkel politiek debat op in de Franstalige pers. Net zoals de N-VA verwacht de PS nog altijd een old-schoolaanpak van haar hoger kaderpersoneel.

Kleine extremisten

Die wat oppervlakkige maar toch merkwaardige gelijkenis tussen de N-VA en de PS opent een boeiend perspectief. Was het Bart De Wever zelf niet die stelde dat dat er in dit land twee aparte democratieën naast elkaar bestaan, elk onderhevig aan andere krachten en wetmatigheden? Hoe strak valt die analyse door te trekken? Zijn de PS en de N-VA inderdaad in alles elkaars tegenpolen, zoals men bij een oppervlakkige lezing van de theorieën van De Wever zou verwachten? Of laat een complexe werkelijkheid zich toch moeilijker in vakjes onderbrengen?

Het is nu eenmaal een feit dat Bart De Wever zelf, door zo fel de verschillen tussen noord en zuid te beklemtonen, in één beweging ook een aantal merkwaardige gelijkenissen heeft blootgelegd. Een van de consequenties van zijn eigen politieke analyse is dat elke dominante partij uitgedaagd wordt door haar radicalere variant. Vandaar dat de socialistische PS in de loop van haar geschiedenis geregeld stevig hinder ondervond van communistische uitdagers, van de oude communisten van de PCB tot de PTB nu. Hoezeer socialisten en communisten onderling ook verschillen, hoe fel ze elkaar ook bestrijden, ze delen wel een gemeenschappelijk verleden, ze zingen allebei De Internationale , ze feesten op 1 mei, hun vlaggen zijn even rood.

Net zoals de PS hinder ondervindt op de linkerflank, zit de N-VA met een structurele concurrent op rechts: het Vlaams Belang, die andere loot die uit de oude Volksunie ontstond. De Wever wil niet horen van enig verwantschap, maar die ís er nu eenmaal: N-VA’ers en VB’ers zwaaien met dezelfde Vlaamse Leeuw (allebei die met zwarte tong en klauwen), ze zingen allebei dat ‘ze’ hem niet zullen temmen, ze hadden een gezamenlijke bedevaart, ze hebben hetzelfde zangfeest.

De kleine extremisten beïnvloeden de twee grotere centrumpartijen. Als de PS wordt uitgedaagd, gebeurt dat al decennia via de FGTB, de Franstalige vakbond waarin de communisten of hun fellow travellers een basis uitbouwen. In de naoorlogse periode deed dat fenomeen zich in alle hevigheid voor toen André Renard de grote man was van de Waalse arbeiders. Hij combineerde antikapitalistische inzichten met een antisocialistische opstelling, én met een scherp anti-Belgisch discours (België was voor Renard een constructie van het Vlaamse kapitaal om Wallonië economisch leeg te zuigen en dan als een sociaal kerkhof achter te laten). Vandaar ook dat Renard de ‘revolutionaire’ Mouvement populaire wallon (MPW) oprichtte. Hij eiste sociaaleconomische structuurhervormingen (zeg maar: de taxshift van die tijd) én staatkundig federalisme. De kopstukken van de PS(B) reageerden met een Congres der Onverenigbaarheden: MPW’ers moesten hun lidmaatschap neerleggen of ze vlogen uit de PS. MPW-jongeren zoals André Cools, Guy Mathot en Guy Spitaels kozen eieren voor hun geld en bleven bij de PS.

Door die uiterst linkse vleugel weer in de rangen op te nemen, kreeg de PS in één moeite het federalisme ingelepeld, van Cools tot Spitaels. Die laatste zette bij de Europese verkiezingen van 1984 een merkwaardig ‘wit konijn’ op de PS-lijst: een anti-Vlaamse activist uit Voeren, de beruchte José Happart. Het is de paradox van de PS: de linkervleugel is pro-Waals en anti-Belgisch.

Ook de N-VA ondergaat dat fenomeen, maar dan in omgekeerde zin en met de Vlaamse Beweging in de rol van de Franstalige vakbond als ‘radicale reserve’ voor de politieke strijd. In de jaren dat José Happart en co. zich bij de PS voegen, besluiten twee jonge, radicale flaminganten de Antwerpse Volksunie de rug toe te keren. Ze vinden de VU communautair te lauw en maatschappelijk te links. Ze pikken niet dat de VU-top een progressieve ‘verruimer’ zoals Herman Lauwers, oud-verbondsleider van de scouts, hoog op lijsten dropt. En dus riskeren Jan Jambon en Peter De Roover ‘de lange mars naast de instellingen’. Al snel zetten ze de lijnen uit bij de Vlaamse Volksbeweging (VVB), waar ze het uithangbord worden van een consequent, radicaal en intellectueel uitdagend nationalisme. Vele jaren later keren ze terug. Eerst Jan Jambon, bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. Dan De Roover, als het zoveelste ‘witte konijn’ bij de parlementsverkiezingen van 2014. Door hun verleden hebben Jambon en De Roover in Franstalig België de reputatie les durs des durs te zijn, de harde kerels die met een breekijzer de Belgische constructie te lijf zullen gaan.

Twee Grote Leiders

In de praktijk zou het anders lopen – het spiegelbeeld zelfs van wat er in de PS gebeurde. De PS verplichtte haar MPW-wallinganten om hun verleden achter zich te laten, en de partij kreeg een federalistische injectie. De N-VA trokt Jambon en De Roover aan, net vanwege hun radicale Vlaamsgezindheid, en een jaar later bleken uitgerekend die twee boezemvrienden dé gezichten van een verstandig, redelijk flamingantisme. Als minister van Binnenlandse Zaken is Jambon de bestrijder van de terreur, de behoeder van het veilige vaderland België. In de Kamer ontpopt De Roover zich als nieuwe fractieleider tot een van de behoeders van de regering-Michel. Af en toe toont hij in een column nog een sprankeltje van zijn talent als debater, maar met zijn politieke optreden versterkt hij eerder de Belgische instellingen dan dat hij ze onder druk zet.

Toch hoor je de N-VA-basis niet klagen. Die kan dat namelijk niet. Sinds de laatste verkiezingen werd aan leden en militanten geen kans geboden om zich op een georganiseerde manier uit te spreken over de koers van de partij en de prestaties van de kopstukken. Het is vrij ongezien in de Belgische parlementaire democratie, maar sinds oktober 2014 heeft de N-VA geen enkel partijcongres meer georganiseerd. Het moet welhaast een naoorlogs record zijn op het stuk van centralisme en partijtucht. In de voormalige socialistische republieken noemde men vergelijkbare topdownsystemen ‘democratisch centralisme’. De term komt van Lenin.

Democratisch centralisme begint bij de opstelling en de figuur van le président /de voorzitter. Socialisten noemen hun sterke man weleens ‘Dieu’ – het was de bijnaam van de Franse PS-leider en president François Mitterrand, en al snel daarna ook van Guy Spitaels. En bij de N-VA? Daar verpersoonlijkt Bart De Wever nog altijd de partij. Eigenlijk ís hij het afgodje van veel N-VA’ers.

Hij zal het zelf niet graag lezen, maar Bart De Wever doet stilaan aan Elio Di Rupo denken. Sinds Di Rupo in 1999 Philippe Busquin opvolgde als partijvoorzitter is hij onafgebroken de politieke leider van zijn partij, ook wanneer dauphin Paul Magnette op de voorzittersstoel zat (toen Di Rupo federaal premier was). En hoewel de dagen van Di Rupo op hun einde lopen (de man viert op 18 juli zijn 65e verjaardag) lijkt hij nog een tijdje incontournable .

Ook Bart De Wever leidt de N-VA al erg lang: sinds 2004. Al in 2009 zei hij in een interview dat hij zo snel mogelijk zijn eigen overbodigheid wilde organiseren, uiterlijk tegen 2012. ‘Ik zie rond mij voortdurend politici vasthouden aan hun eigen onsterfelijkheid. Ze hebben ervoor gezorgd dat niemand bekwaam genoeg kon worden om hen op te volgen. Ik ga dat niet doen.’ Het is anders gegaan. In 2012 leidde hij zijn partij naar een grote zege bij de gemeenteraadsverkiezingen, in 2014 was hij andermaal de winnende voorzitter bij de federale verkiezingen. Nadien werd zijn voorzitterschap van de N-VA vrijwel automatisch verlengd, en inmiddels heeft hij aangekondigd dat hij over een paar jaar de fakkel graag zou doorgeven, maar dat hij dat alleen kan doen als het afscheid in het belang van zijn partij is.

Niet alleen de uitzonderlijke duur van het voorzitterschap van De Wever doet aan dat van zijn PS-collega denken, ook de manier waarop nog meer macht in één hand wordt gebald. Sinds jaren koppelt Di Rupo het voorzitterschap van de PS aan het burgemeesterschap van Bergen, en tussen 2005 en 2007 was hij ook nog minister-president van Wallonië. De cumul van Di Rupo krijgt vooral navolging onder partijgenoten, zoals Paul Magnette in Charleroi en Rudy Demotte in Doornik – net zoals André Cools ooit de grote baas was van Luik.

Vandaag evolueert de N-VA naar dat PS-model. Bart De Wever is burgemeester van Antwerpen en blijft ook ongemeen actief in de nationale politiek, en dat zet aan tot navolging. De kans bestaat dat Theo Francken in Leuven zal proberen om de sjerp van de socialisten (Louis Tobback) te veroveren, en er wordt ook gezegd dat hij op de eerste rij staat om De Wever op te volgen als partijvoorzitter. In Gent lijkt het nog niet uitgemaakt welke N-VA’er gebruik mag maken van de Optima-heisa om de paars-groene coalitie te breken, maar veel kans dat het een nationaal kopstuk zal zijn (Siegfried Bracke? Peter De Decker?). Kamerlid Zuhal Demir heeft al aangekondigd dat ze klaarstaat om in Genk Wim Dries (CD&V) op te volgen. Het N-VA-partijhoofdkwartier roept haar beschikbare kopstukken al in 2018 de barricaden op.

Ach, de oppositie

Net als de PS is de N-VA een partij die leiding wil geven, op alle niveaus. Maar het bestuurlijke model dat de N-VA in Vlaanderen gerealiseerd wil zien, is niet dat van ‘onze’ Franstalige PS maar dat van de nog veel machtiger PS van Frankrijk. De PS is daar de partij van de meest jacobijnse staat van Europa. Het is een kwestie van mankracht. De partij beschikt er over een Chinees leger van lokale mandatarissen. Het nadeel daarvan is dat die aan de slag moeten kunnen blijven. Dat is een van de redenen van de beproefde PS-politiek van proximité : men raakt liever niet aan provincies en zelfs niet aan arrondissementen, men is veel terughoudender met fusies, men wil niet horen van een samensmelting van OCMW-besturen en gemeenteraden of schepencolleges, en een hele nevel aan intercommunale structuren en al dan niet lokale vzw’s – precies de overheidsvormen waarin de N-VA liever het mes wil zetten. Een van de redenen waarom de N-VA daarin wil hakken, is het gebrek aan eigen goede mensen. Kijk naar het stijgende aantal gemeenten waar de plaatselijke N-VA’ers vechtend over de straat rollen. Voor de N-VA valt zuinigheid samen met politiek eigenbelang, net zoals voor de PS een duurder overheidsapparaat de prijs is om Wallonië te kunnen controleren. Als het van de N-VA-leiding afhangt, kiest Vlaanderen voor de centralistische politiek van Parijs, en hanteert het socialistische Wallonië een chaotisch subsidiariteitsmodel (‘wat men op een laag niveau moet kunnen beslissen, moet men daar beslissen’).

Wie zelf wil besturen, en wie tot het kleinste detail richting wil geven aan het land, heeft natuurlijk geen grote pet op van de oppositie. De PS en de N-VA hanteren (onbewust?) dezelfde recepten. Ten eerste: de oppositie wordt als ‘onvolks’ beschouwd. In Franstalig België gebruikt men die term niet. Als men iemand verdacht wil maken, klinkt het met schrille stem dat hij of zij ‘néo-libéral(e)’ is – het effect van de term komt ongeveer overeen met een oude beschuldiging van hekserij: de beschuldigde is afgebrand. De Vlaamse rechterzijde hanteert dezelfde techniek, de te gebruiken termen zijn ‘links’ of ‘progressief’: een tegenstander die op sociale media of zelfs in de Wetstraat daarvan beschuldigd wordt, kan maar beter een gat in de Vlaamse klei graven om zich te verstoppen. Het gebeurt elke dag, aan de lopende band: het is common sense bij de N-VA om zich laatdunkend uit te laten over links. Een klein maar tekenend voorbeeld. Vorige week weigerde Labour-leider Jeremy Corbyn op te stappen nadat hij een interne vertrouwensstemming verloor. Waarop N-VA-Kamerlid Karolien Grosemans tweette: ‘Natuurlijk. Het is een socialist. Geen democraat.’

Vandaar ook de harde confrontatie met maatschappelijke groepen waar men weinig affiniteit mee heeft. Het Waalse regionalisme beschouwt zich als ‘open’, en dus hebben nogal wat PS’ers een gemakkelijke relatie met kunstenaars, artiesten, en bohemiens van allerlei pluimage. Pas als er Vlamingen hun pad kruisen, kan het debat snel hard en zuur worden, en is de kleinste aanleiding goed om grote woorden als ‘fascisme’ in de mond te nemen. Het idee dat wie Nederlands spreekt de kiemen draagt om uit te groeien tot een kleine Filip Dewinter (VB) is helaas al te zeer verspreid.

De PS zoekt de vijand aan haar grenzen, de N-VA heeft een overdaad aan vijanden en tegenstrevers in eigen huis. Het valt op hoe krampachtig de N-VA zich verhoudt tegenover grote delen van de culturele wereld, in het partij-jargon culturo’s genoemd. Dat wantrouwen wordt uitgebreid tot de VRT, academici met een andere mening, en de juristen van de Raad van State die over het onverdoofd slachten een advies schreven dat minister van Dierenwelzijn Ben Weyts niet zinde: zij zijn allemaal ‘wereldvreemd’ en hebben geen plaats in het N-VA-universum. Bart De Wever verklaart een en ander door te wijzen op de krampachtige houding van enkele schrijvers en zangers tegenover de N-VA, en de vrij algemene afwijzing van het Vlaams-nationalisme in artistieke kringen.

De vraag klinkt een beetje kinderachtig: ‘Wie is er eerst begonnen?’ Maar misschien is ze wel legitiem. In 1993, meer dan twintig jaar voor hij een N-VA-lidkaart kocht, schreef Peter De Roover mee aan een boekje dat bij het Davidsfonds werd uitgegeven: Tussen Taal en Staat. Vooruitkijken voor Vlaanderen . In zijn bijdrage citeert De Roover met veel instemming de Vlaams-nationale auteur Wim Verrelst: ‘Gaandeweg keerden meer kunstenaars radicaal van de realiteit in Vlaanderen af. Sommigen zochten hun inspiratie in het primitieve Afrika, of in zelfgeschapen mythische oerwerelden, anderen in het abstracte spel van lijnen, vormen en kleuren. Hun werk heeft alle typische Vlaamse trekken verloren.’ Waarna De Roover eraan toevoegt: ‘Het geloof van Peter Benoit en Julius Sabbe in de “nationale kunst” lijkt te zijn weggevaagd.’ Hij is soms beangstigend diep, de culturele kloof die Vlaanderen al zó veel jaar doormidden snijdt.

Daar heeft de PS amper last van. Tegelijk hebben de Franstalige socialisten nog veel nijdiger demonen te bekampen. Een torenhoge werkloosheid. Bittere armoede. Een economie die ver achterophinkt bij die van Vlaanderen. Een politieke klasse en stilaan ook een publieke opinie vol frustraties. Vandaar dat de PS en de N-VA altijd fundamenteel zullen verschillen in hun opstelling, hun inzichten en hun tactiek.

Maar dat betekent niet dat de N-VA af en toe in de spiegel moet kijken. Een aantal werkingsprincipes die de partijtop juist en legitiem vindt voor zichzelf, past ze niet toe op haar relatie met Vlaanderen. N-VA’er Piet De Bruyn zei ooit dat Bart De Wever zo sterk is in het geven van leiding, omdat hij zich niet alleen omringt door ‘alleen jaknikkers en mensen die hetzelfde denken’. De Bruyn: ‘Je hebt ook mensen nodig die durven tegen te spreken. Op voorwaarde dat je een element deelt: loyauteit.’

Loyauteit van de bevolking naar het politieke klasse: het blijft een wezenlijk element van verschil tussen de grootste partijen van noord en zuid. De PS krijgt vanuit Vlaanderen het verwijt dat ze zich te populair heeft gemaakt in Wallonië en Brussel, dat ze te zeer jaagde op loyauteit. Ze koopt de trouw van de bevolking af via de sociale zekerheid, te hoge lonen, een te gulle welvaartsstaat en een gemakkelijke integratiepolitiek – en dat op kosten van Vlaanderen.

De N-VA, daarentegen, kan niet anders dan zich vanuit haar eigen programma onsympathiek maken bij veel ‘andere’ Vlamingen: degenen met te linkse opvattingen, te gemakzuchtig gedrag, te godsdienstige opvattingen, en tegen iedereen met al dan niet vermeende onwil om Nederlands te leren. De PS kijkt het hoofdschuddend aan.

De Haan kraait, om het erf te paaien en te domineren. En de Leeuw, hij klauwt. Hij kan niet anders. Het is niet zijn schuld, het ligt aan zijn aard.

DOOR WALTER PAULI ■

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
The average score is